tips voor inzendingen

tips voor het uiterlijk van verhalen of artikelen

Deze pagina's beschrijven aan welke kenmerken een tekst bij voorkeur voldoet, bijvoorbeeld een bijdrage aan het tijdschrift Fantastische Vertellingen of Tjonge, of een inzending ten behoeve van het jaarboek Ganymedes of een andere publicatie.

Dit is natuurlijk geen "groen boekje" waarin alles staat. We hebben ons beperkt tot de punten die we vaak terugzien en die we liever anders willen.

Teneinde het gesprek over dit document te faciliteren, hebben we de diverse punten genummerd. Dat is alleen omwille van de comfortabele communicatie gedaan, niet om andere redenen.

Het is niet vereist aan het hierna beschrevene te voldoen. Meer dan een goedbedoeld advies omvat dit document niet. We accepteren regelmatig verhalen of artikelen die (soms: volstrekt) niet aan deze beschrijving voldoen, zijn daar soms desondanks zeer enthousiast over. Toch valt niet te ontkennen dat het helpt je eraan te houden als ie iets geaccepteerd wilt krijgen.

Nederlandse taal

1 – Probeer zo goed mogelijk de Nederlandse taal te gebruiken. Vermijd dus bij voorkeur bijvoorbeeld Engels- of Franstalige woorden indien er een goed Nederlandstalig equivalent voor bestaat.
Voorbeeld: Onzes inziens is Hij vond het too awful. beter opgeschreven als Hij vond het niet prettig.

2 – Vermijd regiogebonden taal, zoals o.m. ‘Vlaminismen’ of ‘Twents’.
Voorbeeld: woonst vervangen door woonplaats.

3 – Wees echter niet bang woorden uit een andere (verzonnen?) taal te gebruiken, wanneer dat relevant is voor de sfeertekening of de strekking van wat je vertelt.
Voorbeeld: Hij stak zijn pips in haar bfozzel. Dat voelde goed!

4 – Kijk bij twijfel over de spelling even in een goed woordenboek.

algemene presentatie

5 – Kies voor een prettig leesbaar lettertype, dus bijvoorbeeld Times of Helvetica.

6 – Werk op A4-formaat.

7 – Vermijd een gekleurde achtergrond: gewoon wit is het duidelijkst.

8 – Gebruik een dubbele regelafstand voor je tekst.

9 – Gebruik geen tabulatie(s) en al helemaal geen spaties om daarmee aan te geven dat je een nieuwe regel wilt laten inspringen. (Alle deze tabulaties en ook dergelijke spaties moeten er bij het redigeren een voor een weer uit worden verwijderd; een heidens karwei.)

10 – Gebruik in één blok samenhangende tekst slechts één alineamarkering ("einde regel"-teken) om de regels onderling van elkaar te scheiden. Gebruik in zo'n geval voor dit doel dus niet twee of meer alineamarkeringen ("einde-regel"-tekens) achter elkaar.

11 – Gebruik slechts één extra alineamarkering wanneer je in het document (bijvoorbeeld om twee tekstblokken ook visueel van elkaar te scheiden) extra witruimte wilt gebruiken.

leestekens

12 – Gebruik dubbele aanhalingstekens bij bijvoorbeeld een zelfbedacht woord, een citaat of iets waarop je wat extra aandacht wilt vestigen. (Gebruik GEEN dubbel aanhalingsteken bij gesproken tekst.) Je kunt als alternatief voor dubbele aanhalingstekens ook overwegen om cursieve tekst te gebruiken, waarmee een subtiel ander, maar overigens vergelijkbaar effect wordt bereikt.
Voorbeeld 1: ‘Ja,’ zei hij trots, ‘dit is wat ik de “Oeroeboeroe” noem!’
Voorbeeld 2: ‘Ja,’ zei hij trots, ‘dit is wat ik de Oeroeboeroe noem!’

13 – Gebruik GEEN dubbele, maar enkele aanhalingstekens bij sprekende personages.
Voorbeeld: ‘Kijk,’ zei Piet, ’zo doe je dat dus!’

14 – Zet géén spatie tussen de tekst en het aanhalingsteken.
Fout: ‘ Ja, ’ zei Piet.
Goed: ‘Ja,’ zei Piet.

15 – Gebruik een eerste aanhalingsteken (deze: ‘) bij de aanvang van gesproken tekst.

16 – Gebruik een eind-aanhalingsteken (deze: ’) om gesproken tekst mee af te sluiten.

17 – Wanneer de zin begint met een weglatingsteken (apostrof of afkappingsteken) gebruiken we daarvoor een kleine letter. In zo'n geval wordt het eerste, navolgende woord met een hoofdletter (kapitaal) geschreven.
Voorbeeld: 's Ochtends is het altijd koud.

18 – Afkortingen worden met kleine letters (onderkast) gespeld en gescheiden door middel van het periodeteken (punt).
Fout: Dit is zo mbt. de fietsbellen in Nederland.
Goed: Dit is zo m.b.t. de fietsbellen in Nederland.

interpunctie

19 – Wanneer gesproken tekst wordt onderbroken, bijvoorbeeld om te zeggen wie de spreker is, gebruik je een komma. Zet in dat geval het eind-aanhalingsteken na de komma (er direct achter, zonder spatie).
Voorbeeld: ‘Dit is mijn moeder,’ legde hij uit.

20 – Na een komma komt in de meeste gevallen een kleine letter (onderkast) en geen hoofdletter (kapitaal).
Fout: ‘Hij brak de punt van het potlood,’ Vertelt Piet.
Goed: ‘Hij brak de punt van het potlood,’ vertelt Piet.

21 – Schrijf na een komma nooit een hoofdletter, behalve wanneer het om een eigennaam gaat.
Fout: ‘Hij brak de punt van het potlood,’ vertelt Piet, ‘En daarna gilde hij.’
Goed: ‘Hij brak de punt van het potlood,’ vertelt Piet, ‘en daarna gilde hij.’

22 – Gebruik het beletselteken (...) indien een zin in getwijfel eindigt, of als een woord of een zin halverwege stokt.
Voorbeeld 1: ‘Verd...’ Hij kwam overeind.
Voorbeeld 2: ‘Maar waar ik aan twijfel...,’ sprak hij, in gedachten.

23 – Zet GEEN spatie voor het beletselteken (...), behalve indien je aan wilt geven dat, bijvoorbeeld in een citaat, op de plek van het beletselteken een deel van de tekst is weggelaten. Je mag in zo'n geval het beletselteken op die plek ook tussen rechte haken [] plaatsen, wanneer je dat duidelijker vindt.
Fout: ‘Allejez ...’
Goed: ‘Allejez...’
Goed: De schrijver beweert dat “...het Europese schrift zeer verwant is ... en ook, in de verte, aan het spijkerschrift...”
Goed: De schrijver beweert dat “...het Europese schrift zeer verwant is [...] en ook, in de verte, aan het spijkerschrift...”

24 – Meestal vervolgt een tekst na een dubbele punt (:) met een kleine letter (onderkast).

25 – Gebruik voor een opsomming van feiten een komma, ofwel een puntkomma. De puntkomma is vooral handig wanneer sprake is van een wat complexere opsomming, eentje met bijv. meerdere woorden per ‘item’ (zie het tweede voorbeeld).
Voorbeeld 1: Ze eet rijst, friet, pudding en brood.
Voorbeeld 2: Behalve de feiten (een dode muis; gegil in de verte; de brandende molen) was er niet veel bekend.

spelling algemeen

26 – Eigennamen worden met een initiële hoofdletter (kapitaal) geschreven.
Voorbeelden: Piet, Amsterdam, Staatsbosbeheer.

27 – Het eerste woord van een nieuwe zin wordt doorgaans met een hoofdletter (kapitaal) geschreven.
Voorbeeld: Het is lang geleden gebeurd.

28 – Na een dubbele punt vervolg je in de meeste gevallen met een kleine letter.

29 – Het woord bijvoorbeeld wordt afgekort als bijv. (en dus NIET als bv of b.v.).